Een Amerikaanse toerist die na bezoeken aan Buitenveldert, Katendrecht en de Schilderswijk aankomt in Volendam roept ongetwijfeld: ‘Ja, dit is pas echt Holland!’ Je vindt dat dan oerstom, want het ware Nederlandse leven speelt zich niet af in Volendam (hoewel) maar in die wijken en op vele andere plaatsen – Volendam en Delft en het Damrak zijn ook Nederland, maar dan voor Amerikanen.
Maar je doet het zelf ook.
Na bezoeken aan diverse Griekse steden en dorpen, inclusief Athene, kom je aan op het schiereiland Pilion en daar heb je dan onwillekeurig de neiging om, het schaamrood op de kaken, te roepen: ‘Ja, dit is pas echt Griekenland!’ De reisgids rept van ‘Griekenland in een notendop’, van onbedorven vissersdorpjes die je snel moet gaan bezichtigen voor ze ontdekt worden door het internationale toerisme.
Ontdekt is het natuurlijk al lang, want zelfs in dat onbedorven vissersdorpje – Agios Kyriaki – is een souvenirwinkel, zitten er enkele toeristen op het terras van het visrestaurant en gelden al aangepaste prijzen. Voornamelijk de betrekkelijke onbereikbaarheid via een ellenlange, steil op en neer gaande (opmerkelijk goed aangelegde, brede asfalt)weg maakt, dat de dorpen nog niet overstroomd worden.
Wij hebben intussen het advies van het boek gevolgd en zijn gaan rijden op dit lange schiereiland, dat zich uitstrekt ten zuiden van de grote havenstad Volos. Het is inderdaad van een zeldzame schoonheid. Ten eerste in de letterlijke zin: de rotzooi die je elders langs de wegen in Griekenland opgehoopt ziet – men flikkert alles achteloos uit het raam van de auto – is hier afwezig.
Maar ook het berglandschap is schitterend. Grote delen zijn bedekt met een veelkleurige maquis die er uitziet als een tropisch oerwoud, gezien van grote hoogte: de bekende boerenkolen. Natuurlijk zijn er ook tienduizenden olijfbomen, Griekenland is in essentie een groot olijfwoud. En er zijn ook verrassingen. Grote en kleine baaien met doodstil water van een bijzondere groene kleur, met witte grindstranden; een stuk landschap dat bestaat uit akkers en veelkleurige bosschages en smalle cipressen, dat lijkt op een zorgvuldig en geraffineerd aangelegd park; gehuchten van soms fraaie witte huizen.
En dus aan het eind Agios Kyriaki, het dorp van Onze Lieve Heer dus, enkele tientallen huizen rond een natuurlijke haven, een bedrijvige werf, cafιs en terrassen langs de waterkant en verder enkele grote restaurants die zich uitstrekken tot het eind van de eigen aanlegsteiger, rekenend op veel meer eters dan de eigen bevolking.
Natuurlijk zijn er de veelkleurige bloemen in potten, de blauwe kozijnen en deuren – en die ’einde-van-de-wereld’-rust die je in Griekenland vaker tegenkomt.
De vis van Manoulis smaakt uitstekend. Dan maar clichees: ik houd het er tegen beter weten in op, dat dit het echte Griekenland is.
Reacties