Het was vanmorgen min 13 hier, en dan denk je als vanzelf terug aan december 1929. Niet dat het toen bijzonder koud was, al vroor het dat het kraakte op de negentiende van die maand, vandaag precies tachtig jaar geleden. Dat plachten althans mijn ouders later te vertellen: op die dag trouwden ze op het stadhuis van Nijmegen. Wat heet kraken: het was in de Bilt die morgen min 6.1 en het waaide nauwelijks, maar goed, warm is natuurlijk anders.
Tachtig jaar, ‘t is of je een emmer leeggooit, en ik heb een paar seconden nodig om me te realiseren dat ik die voor het grootste deel heb meegemaakt.
Hij was 26, zij 25, ze kenden elkaar een jaar of drie, vier. Hij was terrazzowerker, zij had diverse baantjes gehad, in de kunstzijdefabriek en als modiste. Hij moest geregeld op karwei, zat bijvoorbeeld enige maanden in een pension in de Van Ostadestraat in Amsterdam en stuurde vandaar liefdesbrieven aan mijn moeder in zijn prachtige handschrift en zijn onbeholpen Nederlands ('Ik lief jou zoveel‘), brieven die vrijelijk ter inzage lagen in het inmiddels met die brieven verdwenen huis aan de Thijmstraat in Nijmegen ─ ik herinner me dat wij als kinderen ze gniffelend lazen, hoe bestaat het dat je ouders elkaar liefdesbrieven schreven!
De trouwfoto is inmiddels in het onvindbare archief van de eeuwigheid verdwenen, maar gelukkig zie ik hem voor me: hij met een elegante grijze hoed op ─ hij was voor zijn tijd en zijn middelen een dandy ─ zijn elegante streepjessnorretje en die glimlach die ik me vooral van mijn broer herinner. Zij in iets wits en met dat schalkse lachje dat door haar officiële preutsheid heen schemerde.
Ze gingen diezelfde dag nog met de trein naar Parijs en vandaar naar het nietige dorpje Fanna in het uiterste Noord-Oosten van Italië, waar mijn vader geboren was en dat hij op zijn zeventiende had verlaten, en waar hij altijd heimwee naar zou blijven houden. Mijn moeder toonde de familie daar hoe de Nederlanders hun brood aten: met boter en beleg, hetgeen enige verwondering wekte. En ze leerde in de elf weken dat die de huwelijksreis duurde vloeiend Friulaans spreken.
Toen ze terugkwamen was ze in verwachting van mijn oudste zus, die eind november 1930 werd geboren en acht jaar enig kind bleef. Nee, wacht: in 1936 werd een meisje doodgeboren, Anneke ─ op mijn netvlies staat het beeld van mijn vader (dat beeld heb ik nooit echt gezien, dus) die met een klein wit kistje op de schouder naar het kerkhof achter de kerk van de Heilige Antonius van Padua aan de Groenestraat in Nijmegen liep, waar het in ongewijde grond werd begraven. Een mooi staaltje van de hardvochtigheid van de roomsche kerk. Ik denk dat bij het horen van dat verhaal de kiem werd gelegd voor mijn afkeer van godsdienst in het algemeen en de roomsche in het bijzonder.
Twee jaar later werd ik geboren. Nog geen vijf pond, een mager, paars geval dat niet wilde huilen, niet erg levensvatbaar leek en dus haastig gedoopt werd door de aanwezige huisarts ─ ik zou niet in ongewijde grond terecht komen. Huilen wil ik nog altijd niet, schreeuwen kan ik prima en ik weeg ruimschoots meer dan vijf pond. Dat paarse is er ook een beetje vanaf.
In 1941 werd mijn jongste zusje geboren en in 1944 mijn broer.
Tachtig jaar zijn verstreken. Alleen mijn zusje Lidia en ik zijn nog over van het avontuur dat op die negentiende december 1929 begon.
_________
Laatste reacties