januari 2009

ma di wo do vr za zo
      1 2 3 4
5 6 7 8 9 10 11
12 13 14 15 16 17 18
19 20 21 22 23 24 25
26 27 28 29 30 31  

Prikbord

  • Counter
  • Counter
  • (advertentie)

Nuttige links

woensdag 7 januari 2009

Eten en gegeten worden

Houtduif Een problematiek die tijdens de toch uitputtende berichtgeving omtrent temperaturen onder nul maar mondjesmaat aan de orde komt is die van onze gevederde vrienden. Ten einde te voorkomen dat ze allemaal kapot vriezen in het met een dikke laag sneeuw bedekte landschap heb ik in de tuin een paal opgesteld met daarop een oud dienblad, en op dat blad deponeer ik elke ochtend een royale schep voedsel in de vorm van zonnepitten, pinda’s (zonder zout), broodkruimels en andere zaden, mij aanbevolen door de gespecialiseerde vogelvoerhandel. Het kost een vermogen, maar dan heb je ook wat.

Sinds een paar dagen is er echter een kink in de kabel gekomen. Een viertal volgevreten houtduiven heeft bedacht dat al dat heen en weer vliegen van bomen naar die plank en terug nogal vermoeiend is en veel energie kost, vooral als je al zo’n zwaar met goedgekeurd voedsel gevuld lichaam hebt. Ze hebben dus besloten om, eventueel om beurten, gewoon op dat dienblad te blijven zitten; andere vogels, kleiner van stuk, hebben zodoende het nakijken.

En de gevolgen mogen gerust desastreus genoemd worden. Van de groenlingen die vorige week nog een groten en flink onder elkaar vechtenden getale het dienblad bezochten, zijn er misschien drie over die nog wel eens een poging wagen. Het vogelboek vertelt mij trouwens dat deze vogeltjes bij grote koude een eindje verder naar het zuiden plegen te trekken – ze zijn so wie so al helemaal uit Siberië komen aanvliegen. Maar ik vrees dat er ook wel een paar gesneuveld zijn door voedselgebrek omdat die stomme houtduiven de plank bezet houden.

Vinken hebben het geluk dat ze enigszins behept zijn met hoogtevrees – raar voor een vogel, als je er even over nadenkt – en scharrelen dus in de sneeuw onder de plank de zaden op die door de grof rondpikkende houtduiven over de rand worden gekieperd. Enkele spreeuwen proberen nog wel eens naast zo’n dikke duif een graantje mee te pikken, merels wachten af tot de duiven even een paar minuten toch in de boom gaan zitten, en jagen dan op hun beurt kleinere vogeltjes van de plank. Het is waarachtig een treurig gezicht.

En dan hebben we nog het geluk dat de buizerd zich nog niet vertoond heeft en dat ook de katten geen trek hebben in die kouwe sneeuw aan de poten, anders was het helemaal een soort Gazastrook, bij mij in de tuin.

Waarmee ik mezelf op een lumineus idee breng. Ik jaag nu de houtduiven nog weg met een armzwaai – maar ik had toch nog ergens een windbuks? Is ook meteen het probleem opgelost van ‘tja tja tja wat zullen we eten?’
____________
hhBest

dinsdag 6 januari 2009

Een film die alles heeft

NicoleandHughkiss Hugh Jackman en Nicole Kidman in Australia.

Zo’n film die alles heeft waar Paul Verhoeven altijd van gedroomd heeft en  er zelfs niet in de buurt is gekomen. Een film die alles gejat heeft van andere beroemde films, van Gejaagd door de wind, van Pearl Harbour, van Out of Africa, voor mijn part ook nog van How the West Was Won, Vier vuisten van de duivel en van The Good, the Bad and the Ugly. En die toch origineel overkomt. Als je de bioscoop verlaat bekruipt je zelfs de gedachte|: deze film heeft alles in zich om een cultfilm te worden als Gejaagd door de Wind: Australia.

Neem twee grote sterren: Nicole Kidman als een nuffige adellijke Britse dame, en Hugh Jackman als een geharde Australische veedrijver; een zielig halfbloed kind; een Aboriginal tovenaar; een ruwe kroegbaas; een sinistere en wraakzuchtige crimineel; vijftienhonderd koeien, de Aboriginalproblematiek, een overweldigend landschap, alle techniek uit de kast en een op volle toeren blazend symfonie-orkest, en je bent klaar: Australia.

Je moet maar durven, zo’n naam, het verhaal speelt zich toevallig in Australië af, maar hetzelfde thema of onderdelen ervan hebben we al talloze malen in Amerikaanse setting gezien.

Maar goed. Lady Ashley gaat, vlak voor de Tweede Wereldoorlog uitbreekt, toch eens kijken wat haar man allemaal uitspookt op zijn enorme rundveeboerderij in de absolute leegte van Australië. Bij aankomst blijkt de echtgenoot net vermoord te zijn en daar krijgt de Aboriginal tovenaar natuurlijk de schuld van. Lady Ashley besluit alles opzij te schuiven en de boerderij voort te zetten, te meer ook omdat zij het oog heeft laten vallen op de veedrijver. De oorlog breekt uit en het Brits-Australische leger heeft dringend behoefte aan het vlees van de vijftienhonderd koeien van Ashley. Zij bestijgt manmoedig het paard en drijft samen met de halfbloed jongen, die ook al haar hart (en dat van bijna iedereen, zeker het bioscooppubliek) heeft gestolen, een paar Aboriginals en de veedrijver de koeien naar Darwin, de havenplaats in het noorden.

Natuurlijk probeert de door haar zojuist ontslagen rentmeester, die een complot gesmeed heeft met een paar gewetenloze veehandelaren in Darwin, er een stokje voor te steken en dat lukt ook bijna – dit alles is aanleiding tot onwaarschijnlijk schitterende opnamen van het desolate landschap en die enorme kudde koeien. Bij een en ander is het ook nuttig dat de kleine jongen, Nullah, een beginnende succesvolle tovenaar blijkt te zijn. Op het nippertje worden de koeien alsnog afgeleverd en de criminelen voor gek gezet.

Daarna komt er het opnieuw voorbeeldig in beeld gebrachte bombardement van Darwin door de Japanners. Even lijkt het of alle betrokkenen daarbij het loodje hebben gelegd, maar geen nood: het noodlot treft uitsluitend de boeven en hun kompanen. Lady Ashley en haar veedrijver gaan terug naar hun boerderij en het jongetje volgt zijn bestemming: een walkabout in het gezelschap van de tovenaar.

Het klinkt misschien als een banaal verhaaltje, maar ik moet zeggen: ruim drie uur onderhoudende cinema. Wel kijken op een zo groot mogelijk scherm, bijvoorbeeld in de bioscoop.

___________

hhBest

maandag 5 januari 2009

Vrouwen komen overal mee weg

De Spaanse filmregisseur Pedro Almodóvar maakt toch opmerkelijke films. Kom je ook ergens achter, is de eerste vraag die de lezer wellicht stelt. En inderdaad. Nadat ik maanden geleden al eens Habla con ella had gezien – ‘Praat met haar’, maar degene die dat advies geeft aan de vriend van een vrouw die in coma ligt doet nog wel wat meer dan praten met zijn eigen vriendin, die ook in coma ligt – heb ik afgelopen weekend El ley del deseio (‘De wet van de begeerte’) en Volver (‘Terugkeren’) gezien.

De wet van de begeerte gaat over de relaties tussen een aantal homoseksuele vrienden die op moord en doodslag uitdraait. Om voor de hand liggende redenen doet het verhaal denken aan de dood van de Italiaanse schrijver en regisseur Pierpaolo Pasolini. Een van de mannen in het verhaal is ook regisseur. Maar aan de andere kant: Almodovar laat wel vaker zijn eigen leefwereld doordringen in zijn film, zoals ook in Volver, waarin een hele filmploeg meedoet, zij het dan op de achtergrond.

_42559831_416_almodovar De eerstgenoemde films bevatten nog een verhaal dat in de loop van de tijd filmisch onthuld wordt. Het werkelijke verhaal Volver daarentegen moet door de hoofdrolspelers in de laatste twintig minuten grotendeels verteld worden. Niemand blijkt daardoor precies te zijn wat zij (het zijn allemaal vrouwen) leek te zijn; wie bij de ‘verschijning’ van de moeder even aan Luis Buñuel denkt, kan ik dat niet kwalijk nemen, al blijkt de oorzaak van de ‘verschijning’ heel wat banaler dan je de hele film lang denkt. Je conclusie bij Volver moet vooral zijn: vrouwen komen overal mee weg – van illegaal exploiteren van andermans restaurant tot brandstichting, moord en incest. Soms gelden wetten voor vrouwen gewoon niet. Niemand ondervindt enig geestelijk nadeel van wat er gebeurt: zo is nu eenmaal het leven der vrouwen, zo lijkt de berustende conclusie te zijn.

Wanneer je eenmaal een beetje afstand hebt genomen merk je ineens dat de verhalen van Almodóvar een beetje hilarisch uitgevallen en misschien wel bedoeld zijn. Je moet toch een beetje lachen om de verpleger die zijn vriendin in coma zwanger maakt – bij de bevalling komt ze bij, maar hij zit in de bak – en om de manier waarop de hoofdrolspeelster in Volver zich ontdoet van het lijk van haar door haar dochter – tevens haar zuster – doodgestoken echtgenoot.

De films van Almodóvar hebben stuk voor stuk dat kenmerkende trage ritme met veel dialoog en die uitzinnig esthetische fotografie waarin de regisseur ook nog zijn hobby’s uitleeft: oude auto’s, draaiende windmolens, mooie vrouwen. Almodóvar maakt een film om films te maken, omdat hij dat zo goed kan; de inhoud komt dan vanzelf, zo lijkt het.

Doet u mij nog maar twaalf van die films. 

___________

Op de foto: Almodóvar met Penelope Cruz, de hoofdrol in Volver.

________
hhBest

zondag 4 januari 2009

Het Jeugdjournaal op glad ijs

Inmiddels staan wij voor de totale verkindsing van de westerse mens. Mensen van middelbare leeftijd klagen nog wel eens over ‘oudjes’ die rare aanrijdingen veroorzaken of spookrijden en van alles vergeten. Ook gaat het over de ‘de jeugd van tegenwoordig’ die alleen maar lol wil trappen en tot zijn veertigste een abonnement op de Donald Duck heeft.

IJspret600x629 Maar let op het middelbare grut zelf, dezer dagen. Door een lastige speling van de natuur en door domheid van de Bataven en Kaninefaten is Nederland gevestigd op een stuk grond dat voornamelijk uit water bestaat en dat zo volkomen onbeschut ligt dat het kan vriezen en kan dooien. Net hebben gedachten post gevat over het aanplanten van palmen op het strand of alle aanwezige water bevriest waardoor we weer eens kunnen gaan schaatsen.

Weliswaar leidt schaatsen nergens toe – je schaatst een rondje en dat is het dan. Ik zie weinig verschil met de hometrainer in de garage, behalve dan dat het op ’t ijs stervenskoud is.

Daar komt nog bij dat het weliswaar vriest, maar niet buitengewoon hard en overdag dooit het. Maar het jengelend volkje wil tóch schaatsen, ook als iemand zo vriendelijk is geweest een bord in het ijs te rammen met de tekst: Niet Schaatsen, Gevaarlijk IJs, dan gebruiken ze dat bord om zich af te zetten. Zodoende heeft het ambulancepersoneel mitsgaders de bemanningen van traumahelikopters de handen vol met het verstoren van de schaatspret door per se lieden die hals, nek en nieren hadden gebroken op het ijs dan wel er doorheen gezakt zijn te willen ophalen, waardoor je eerst je auto moet wegzetten zodat ze erdoor kunnen en daarna even niet mag schaatsen; en mogen en kunnen schaatsen, dat is toch regel 1 van het handvest van de rechten van de mens.

Anders is het wanneer het NOS Journaal ook nog op de oever van het toegevroren meertje verschijnt. De cameraploeg treft daar eerst een kerel aan die absoluut niets kan breken: hij heeft zich gestoken in een van Star Trek geleend plastic harnas en wil dat wel even demonstreren.

Intussen wordt vlakbij een wak gehakt, waarin een ladder wordt neergelaten; na een kort inleidend interview dalen een paar heren in duikpak van het laddertje af en begeven zich onder het ijs. Het water heeft daar de diepte van de kruipruimte onder een huis maar dat mag de pet niet drukken: we aanschouwen het geweldige tafereel van duikers die onder het ijs naar de schaatsers er bovenop zwaaien en wat denk je? De schaatsers zwaaien terug! Een van de duikers heeft een lantaarntje bij zich en schijnt ermee omhoog. ‘Hee, een lantaarntje!’ roept een van de schaatsers jolig. Dat wordt allemaal uitgezonden, waarna we de ellende in Gaza krijgen.

En dan hebben we net het bericht gehad dat een schaatser die er een paar honderd kilometer voor had gereden om op een mij onbekend Fries meer te gaan schaatsen, daar verdween en een dag later onder het ijs werd gevonden. Hij zwaaide niet, ook niet met een lantaarntje. Hij was namelijk in de schaatsershemel. Het Journaal vond het dan ook niet nodig hem eens in close-up te filmen. Dat was zelfs te gortig voor het Jeugdjournaal.
_________
hhBest

 

zaterdag 3 januari 2009

De kolere van de keizer

Burgemeester Leers van Maastricht heeft een methode gevonden om toch een gemeente van 600.000 inwoners onder zich te krijgen, nog meer dan Rotterdam, dus. Lekker puh. Als Mozes niet naar de berg komt, dan komt de berg wel naar Mozes, om maar weer eens een bijbels citaat te parafraseren. Hij heeft voorgesteld alle negentien gemeenten in Zuid-Limburg samen te voegen tot één gemeente, uiteraard met Maastricht als hoofdplaats en ene Gerd Leers als burgervader.

Voor Maastricht hoeft er niet veel te veranderen, de inwoners van die mooie gemeente denken al van oudsher dat ze de leiding in handen hebben over dat zootje ongeletterde boeren. Verder komen ze liefst zo weinig mogelijk in de regio; Leers kan zo ook de coffeeshops afstoten en vestigen in Melleschet, Bingelrade of Raar.

Maar Leers heeft dus het H-woord gebruikt: gemeentelijke Herindeling, en dat is een begrip dat men in Limburg niet graag hoort. De betekenis ervan is nauw verwant aan ‘verovering’, ‘bezetting’, ‘invasie’, ‘onderdrukking’ en ‘onderwerping’. Laatst heb ik nog eens geschreven over die overigens vreedzame collega die zich verzette tegen de inlijving van de toenmalige gemeente Nieuwenhagen bij de gemeente Heerlen. Hij zei, ongetwijfeld in een vlaag van woede, dat hij in dat geval gaarne een explosief tot ontploffing zou brengen in of bij het gemeentehuis van die gemeente.

In plaats van de vier gemeenten in de Oostelijke Mijnstreek werd Hoensbroek bij Heerlen gevoegd. Dat was in 1982, en nog altijd is de woede daarover in Hoensbroek niet helemaal weggeëbd.

Vervolgens werden Schaesberg, Nieuwenhagen en Ubach over Worms samengevoegd tot de gemeente Landgraaf en Eygelshoven werd overgedaan aan Kerkrade, maar nog altijd heeft elk van de samenstellende gemeenten de eigen onmisbare voorzieningen, zoals voetbalclubs, harmonieën en fanfares met eigen accommodatie, strikte grensafbakeningen en eigen carnavalsoptochten. Weliswaar is er sinds enige jaren na veel gemor van het landvolk een over de verenigingen roulerende ‘stadsprins’, maar de rest kijkt jaloers toe zodat de ‘stadsprins’ precies hetzelfde krijgt als die van andere clubs.

Kortom, Zuid-Limburg is een soort Joegoslavië van vóór de stichting van de eenheidsstaat in 1918. Het liefst zou elke buurt in de regio een zelfstandige staat met een eigen leger en een hertog worden.

Dus het plannetje van Leers is niet echt een succesnummer, schat ik. De burgemeester van Margraten, zelf een gemeente die is samengesteld uit een enorm aantal gehuchten, dorpjes, vlekken en vooral veel eenzame boerderijen te midden van heuvelland, heeft zich dan ook meteen in het harnas gehesen en zijn gemeente vergeleken met het dorpje van Asterix en Obelix.

Leers reageerde daar weer een beetje lacherig op – hij weet natuurlijk ook wel dat zijn proefballon de komende dagen op de noordwestenwind naar een ver buitenland zal afdrijven.

Maar tevreden keek hij wel. Want in het verweer van de burgemeester van Margraten speelde Maastricht kennelijk de rol van ‘Rome’ uit de Asterix-strips. En Julius ‘Caesar’ Leers was daar keizer van, als ik me goed herinner.

Dat is nog eens andere koek dan burgemeester van Rotjeknor, Aboutaleb!
_____________
hhBest

vrijdag 2 januari 2009

De tijd vliegt

Al weken loop ik met het plan rond, eindelijk een sluitende theorie op te stellen aangaande de vraag: hoe komt het dat we tegenwoordig elke drie maanden Oud & Nieuw hebben?

Op zich heb ik geen hekel aan die gelegenheid, met name omdat zij zich afspeelt in een strikt afgebakende tijdsspanne. Dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Kerstmis, dat weliswaar op 25 en 26 december valt, maar waarvan de geruchten zich reeds eind november aankondigen. Nog veel eerder ligt al dat glimmende speelgoed al in het tuincentrum, maar daar is wat tegen te doen: je mijdt het tuincentrum.

Maar eind november, begin december dan begint het landvolk te mijnen huize te morren over de kerstboom die moet komen, de vraag wat we zullen eten met Kerstmis en wie we daar dit jaar eens mee zullen teisteren; de vraag ook of er nieuwe ballen moet komen. Hardop wordt er ontevreden geroepen dat ‘wij nooit eens een leuk verlicht rendier in de voortuin’ hebben, of dan toch minstens een krans aan de voordeur. En dat duurt tot en met de feestdagen, die gepaard gaan met de aanschaf en het omhangen van die boom, het spelen van eenvoudige kaartspellen ónder die boom, waar we ook de cadeautjes aantreffen die wij steeds vaker voor onszelf hebben aangeschaft, om teleurstelling te voorkomen en een gang naar diverse winkels waar je in een rij tot ver om de hoek moet gaan staan omdat veel mensen blijkbaar teleurgesteld zijn geworden.

Daarnaast zijn  er de ontbijten met spek en eieren, gesuikerd krentenbrood met amandelspijs, gebraden balkenbrij en een eerste glaasje prikwijn, vrijwel naadloos gevolgd door het diner met borden dungesneden fijne vleeswaren, gebakken bloedworst, vette gebraden kip, kruimige gebakken piepers, als het al niet uitdraait op gourmetten met alle gevolgen van dien. Verbaasd tel je de volgende morgen de flessen die zijn leeggeklokt bij al dat vertier, waarna je maar eens moedeloos ineen zinkt bij de tv die uitsluitend jingle bells, Rudolf het roodgeneusd rendier, Going Home for Christmas en een hele stoet dwergen en elven in petto heeft. Van de weeromstuit veer je blij verrast op als er, mede namens ons, weer eens ergens gebombardeerd wordt.

Nee, dan Oud & Nieuw. Dat duurt maximaal vijftien, zestien uur, je eet tot je een vuile maag hebt en drinkt tot je verzinkt in vergetelheid en dan is het op 2 januari weer fris en monter aan de slag, met de bekende kreet: nu is het afgelopen, deze keer gaat er binnen twee weken tien kilo af!

Oh ja, ik dwaal af. Ik denk dat de tijd zo snel lijkt te gaan omdat dat gaat volgens een bepaalde formule: de subjectieve snelheid van de tijd kun je uitdrukken in een percentage van de verstreken tijd. Dus voor iemand van twee jaar valt de lengte van één jaar uit te drukken in het getal 50, een jaar is 50 procent van de verstreken levensjaren; voor iemand van 20 jaar is het nog maar 5; als je 40 bent vliegt een jaar al voorbij met een snelheid van 2,5; Als je 80 bent is het 1,25 en het zwakke punt van de theorie is dat op honderdjarige leeftijd de tijd met een snelheid van 0 voorbij zou vliegen. Daar denken we nog over na.

O ja, het uitgangspunt van de theorie is natuurlijk dat de tijd helemaal niet bestaat.

__________

hhBest

donderdag 1 januari 2009

Maar gauw weer gewoon

Bij de kapper hadden een paar dames op het pleintje een simpele heteluchtballon gekregen en die lieten ze vannacht kort na middernacht op. Terwijl om ons heen het pandemonium genaamd ‘WWII revisited’ zich ontrolde en de honden hun ware aard toonden door een minutenlang aangehouden wolvengehuil te beste te geven, stegen de omgekeerde papieren zakken, aangedreven door een klein brandertje onderin, heel stil en statig omhoog, eerst op een zuidwestertrekje, toen recht omhoog, de mysterieuze half oranje mist in, waarna we hun licht langzaam zagen verdwijnen – waarheen, waarvoor, zou Mie Ketelkamp spontaan zingen.

We hadden ons rond acht uur in avondkleding gestoken, zoals we al jaren doen, en daarna naar een stuk van de show  van Karin Bloemen – prachtig, al dat vertoon van warm vrouwenvlees op de maat van ‘ja ik ben dik, nou en’, en ‘inderdaad, we worden er niet jonger op.’

Tijdig overgeschakeld naar een cabaretier die ik nog nooit aan het werk had gezien, maar die met name in Brabantse kringen de nodige lof krijgt, Guido Weijers. Kijk, als we nou Theo Maassen niet hadden gekend, en Hans Teeuwen niet, en al helemaal Youp van ’t Hek niet, dan was Guido een grote ster geweest. Leuke grappen, goeie timing, een sympathieke kop met een lichte loens waarmee hij koketteert en die hij als excuus gebruikt om een beetje onsmakelijk gehandicapten na te doen. Ook wel erg veel masturbatie. Maar het probleem is: dan had Guido die collega’s ook niet gekend, en dan had hij niemand om epigoon van te zijn.

Echt waar, zou Marc-Marie Huijbregts zeggen, je zag ze alle drie in het optreden van Guido.

Daarna toch maar Youp, en dankzij Guido Weijers zag je daarin ineens heel scherp wat standup comedy eigenlijk kan zijn. Ineens gleed je in een warm bad, nadat je bij Weijers niet verder was gekomen dan een beetje bibberig aan de kant staan omdat Guido geen kans zag het water goed warm te krijgen en het bad lekker vol. Kijk zelf verder naar www.uitzendinggemist.nl .

Nu nog even opzoeken wanneer Geert Hoste op de Belse tv is, alleen al omdat dat de enige standup comedian is die ik wel eens persoonlijk de hand heb gedrukt. Nee echt, Hoste is de Wim Kan van Vlaanderen, hij heeft daar ook die status.

Het Nieuwjaarsontbijt zit er alweer in, ik heb alweer gewerkt dus nu even stoppen met die flauwekul.

Oh nee, ik moet nog wel even de paus horen vragen om ‘alle faiftiektausend Blumen sjoin aaf te sjnaiden’. Of was dat met Pasen? Op de tv naast mij zendt Raiuno hem live uit. Ook Andrea Bocelli. Wat is die afgevallen.
______________
hhBest

dinsdag 30 december 2008

Nog eens Israël

De reacties op mijn stuk van gisteren dwingen mij, nog eens op het onderwerp terug te komen. Om te beginnen distantieer ik me volledig van de ronduit racistische en antisemitische elementen in enkele reacties.

De staat Israël mag dan niet altijd een beleid voeren waar je bij staat te juichen. De bouw van nederzettingen in bezette gebieden is een belangrijk voorbeeld van verwerpelijk beleid. De bouw van de muur, moeten we het daar nog over hebben?  Het opblazen van huizen van erkende terroristen verdient ook geen schoonheidsprijs. Net zo min als het martelen van gevangenen. De Israëlische politiek is irrationeler dan nodig, door de buitenproportionele invloed van extremistische godsdienstpartijen. Ook niet veel gemakkelijker wordt het doordat Israël uitdrukkelijk een Joodse staat is, een situatie waarin discriminatie en racisme gemakkelijk op de loer liggen.

Verder moet je uitkijken met ‘als, dan’-stellingen. Als Israël een staat zou zijn geweest, in alle opzichten vergelijkbaar met (min of meer) democratische staten in West-Europa, zou de situatie dan heel anders zijn geweest dan nu? Tja. Misschien is dit een vraag die niet alleen nauwelijks beantwoord kan worden, maar inmiddels ook zinloos is geworden. Israël bestaat en wie daar een eind aan wil maken is een misdadiger, zoals iemand die de Nederlandse staat zou willen vernietigen een misdadiger is, al was het maar omdat het verstoren van een rustig leven van mensen die boodschappen doen in de supermarkt en een biertje drinken op een terras zonder verdere argumenten tot ‘misdadiger’ kan worden verklaard.

De meeste Arabische en andere islamitische landen zijn onverholen dictaturen die te kampen hebben met enorme binnenlandse problemen, zoals werkloosheid. Een gezamenlijke vijand in het buitenland is daar als vanouds een mooi redmiddel voor. Van oudsher heerst in die landen een levendig antisemitisme, ongeveer vergelijkbaar met het antisemitisme in het Europa van voor de Tweede Wereldoorlog. In het verlengde van dat antisemitisme is in veel van die landen een regime aan het bewind dat zegt een appeltje te schillen te hebben met de westerse democratieën, die duizend jaar geleden met (alweer door godsdienstige motieven ingegeven) veroveringsoorlogen, beter bekend als de Kruistochten, de landen van het Midden-Oosten onveilig maakten.

Voldoende aanleiding voor sinistere regimes als die in Syrië en Iran, en binnenkort ook weer in Afghanistan, mogelijk ook Soedan, om zich niet alleen antisemitisch uit te laten, maar ook wapens en andere steun te geven aan struikroversgroeperingen als Hezbollah en Hamas die de daad bij het woord willen voegen. Waarbij het opofferen van de eigen mensen door middel van zelfmoordaanslagen op onschuldige burgers een belangrijk instrument is. (Dat vinden wij intussen normaal. Ik zou er toch eens rustig over  gaan zitten nadenken.)

Kortom: er zal best iets op aan te merken zijn, maar ik vind het uitroeien van nesten vol terroristen absoluut gerechtvaardigd. Dat daarbij onschuldige burgers vallen is natuurlijk slordig, maar Hamas heeft zich in Gaza dan ook genesteld te midden van onschuldige burgers die zo in de gelegenheid worden gesteld zich tot martelaren te laten bombarderen.

Intussen is de toestand in het Midden-Oosten een probleem dat zonder radicale oplossingen ten eeuwigen dage zal blijven bestaan.

Ik verklaar me bij deze onbevoegd om mogelijke radicale oplossingen te suggereren.

maandag 29 december 2008

Waar moet dat eindigen

Er was een tijd dat je door woedende medeweggebruikers van de weg werd gedrukt als je géén sticker op je bumper had met de tekst ‘Ik sta achter Israël’. Het was 1967, toen we, opgewonden van bewondering hoorden en zagen hoe Israël eens en voor altijd afrekende met het Arabische gespuis dat de jonge democratische staat uit pure jaloezie van de kaart wilde vegen.

Die Arabieren zijn er nog altijd, maar stickers met de tekst ‘Ik sta achter Israël’ zijn nergens meer te koop en in deze dagen zijn we wel met iets belangrijkers bezig: nóg meer vuurwerk kopen dan vorig jaar.

De regering in Den Haag laat zich officieel zeer voorzichtig uit en vraagt zowel Israël als de Palestijnen terughoudendheid te betrachten. Alleen Geert Wilders, die meer aanhangers heeft in Israël dan in Nederland, gebruikt als gewoonlijk ronde taal: ‘Jaag dat zootje de Sinaï in.’

Eigenlijk denkt een kennis van mij in Israël, T., er precies zo over. Hij is een vreedzame ICT-deskundige met een gezellig gezin; al heeft hij ook als dienstplichtige deelgenomen aan enkele oorlogen.

Dus na het uitwisselen van de Kerst- en Nieuwjaarswensen ontspint zich een korte e-maildiscussie.

Sante: ‘Dank je wel. Ja, inderdaad, het journaal is er sinds gisteravond vol van. Waar dat moet eindigen...’

T.: ‘We weten meestal waar het begint, waar het eindigt is een vraag. Wat zeker is dat al dat bloed overbodig was, maar we hebben als buren de Denen of IJslanders niet.’.

Sante: ‘Ik begrijp nog altijd heel goed dat je dat gedoe met die raketten af en toe heel moe wordt, maar je merkt dat bijna niemand (nou ja, de VS dus wel) meer onvoorwaardelijk achter Israël staat.’

T.: Onvoorwaardelijke hulp hebben wij echt niet nodig. Vrede wel. Maar nadat wij alle nederzettingen in Gaza hebben teruggegeven, (Israëlische) mensen uit hun huizen hebben ‘gegooid’ en er geen enkele soldaat in Gaza meer overgebleven is, is het niet te accepteren dat men dagelijks (onze) burgers beschiet. Het leven van de burgers in de buurt van Gaza is een hel, wij hebben het hier in de Golfoorlogen en de tweede Libanonoorlog meegemaakt. Je wordt beschoten, oude mensen, vrouwen, kinderen, zieken en zwakken. Je kan niet slapen, je kan niet douchen, je kan niet naar de supermarkt gaan. Het is geen minuut duidelijk wat het volgende moment zal brengen.

Ik wil geen pessimist zijn, maar als het zo doorgaat wordt Europa één grote Islamitische staat, met de hulp van Iran of Syrië. Onze buren zijn geen toffe jongens; toen de Chamas de regering van de Fatach in Gaza overnam werden de aanhangers van de Fatach uit de ramen gegooid en die zijn geen Zionisten. Het geheugen van de wereld is korter dan de neus.’

Blijf nu maar eens beweren dat Israël een beetje terughoudendheid moet betrachten. De vestiging van de Joodse staat was indertijd misschien niet erg verstandig. Maar van welke staat was de vestiging wel helemaal gerechtvaardigd? Zelfs de Verenigde Staten hebben zich gevestigd door middel van uitroeiing van de oorspronkelijke bevolking, ga de geschiedenis van Engeland, van Nederland, van heel Europa maar na. Als je maar ver genoeg teruggaat stuit je altijd wel op de eerste, verwerpelijke daad.

Het staat me niet mooi, vinden ze tegenwoordig, om toch nog een beetje boel achter Israël te blijven staan. Jammer dat ik ineens een standpunt huldig van Geert Wilders, dat dan weer wel.

Maar ik besef dat die opmerking net zo cynisch als het gedrag van Nederlanders die enorme pakken vuurwerk kopen in plaats van vol verbijstering te zien hoe gewone Israëlische mensen geen andere oplossing voor hun probleem zien dan de zaak plat te gooien.

En, PS: dat Europa een islamitische staat zou kunnen worden, dat lijkt me vandaag geen belangrijk probleem waar we ons dik over moeten maken. Dan zullen Syrië en Iran toch eerst moeten leren waar Europa ergens ligt.

zaterdag 27 december 2008

De oliebollenkliniek

Als altijd leveren de kranten van na Kerstmis weer meer vragen op dan antwoorden. Terugblikken, dat gaat nog, maar als we iets hebben geleerd van 2008 dan is het wel dat voorspellen moeilijk blijft, vooral als het de toekomst betreft. De vraag die wel werd beantwoord: de mooiste foto’s maak je inderdaad van moord, aanslagen, vluchtelingen en teleurgestelde voetbalfans, zie daarvoor verder het Volkskrant Magazine.

Maar vele vragen die bij mij zijn blijven hangen zijn helaas ook ditmaal niet opgelost. Bijvoorbeeld: hoe komt een oliebollenkraam in de test van het AD aan het cijfer 0 (nul)? Ik bedoel, ik weet ongezien en ongeproefd dat de grote winnaar toch een bol is die druipt van het foute vet en opgetrokken is uit ingrediënten die het daglicht niet kunnen verdragen – het zou mij niet verwonderen dat de desbetreffende oliebollenkeizer bedacht heeft: dat melamine uit China, zou ik daar iets creatiefs mee kunnen, ten aanzien van mijn enigszins afgematte aandelenportefeuille? Dus die bollen met lagere cijfers, wat is daarmee aan de hand? Die met het cijfer 0 (nul), zouden ze daarvoor niet per ongeluk het kruim van een heel jaar frituren in hetzelfde vet te pakken hebben gehad?

Aanvullende vraag: worden de leden van het proefpanel van het AD vaker dan de gemiddelde bevolking gedotterd, gekatheteriseerd dan wel van een geheel nieuw leidingenstelsel rond het hart voorzien? Hoeveel zijn er intussen al onder nooit geheel opgehelderde omstandigheden overleden, bijvoorbeeld toen ze oliebollen stonden te proeven voor een kraam van een oliebollenparadijs op een winderig pleintje in Spijkenisse? Een beetje wetenschappelijk onderzoek geeft die feiten ook. Maar ja, Nederlandse populaire kranten, altijd half werk.

Nee, dan de Volkskrant. Die heeft een lijst opgevraagd bij het ministerie van Ab Klink en die even door de machine gehaald zodat ze niet meer in alfabetische volgorde stonden, maar in volgorde van aantallen slachtoffers. Het nieuws dat er uit komt is geen nieuws: in een klein verzorgingstehuis en een kleine verpleegkliniek blijken de minste fouten te worden gemaakt. Dat het resultaat voor de hand ligt kan ik aantonen aan de hand van een voorbeeld: hier in huis wonen drie mensen, en wij hebben ons nog nooit vergist in de medicijnen, geen doorligwonden geconstateerd. Maar ik heb wel eens een dagelijks pilletje op de grond laten vallen en niet meer terug kunnen vinden. Dat kun je gaan extrapoleren naar de grotere aantallen, waardoor je steeds meer fouten tegenkomt. Ik stel me voor dat ze in de slechtste kliniek, Bernardus in Sassenheim, gewoon alle medicijnen in een grote doos doen, eens in de week met die doos langs de deuren gaan en iedereen een handje pillen aanreiken, die dankbaar worden genuttigd, vaak in één keer, met een glaasje ochtendurine er achteraan, voor de zekerheid.

Een van de twee winnaars heeft trouwens openlijk vals gespeeld: dat blijkt een verzorgingstehuis te zijn dat onderdeel is van een groter geheel. Die truc is eenvoudig: je haalt er gewoon een onderdeel uit waar het toevallig goed is gegaan. De rest kan best grotendeels gestorven zijn aan foute medicatie, doorligwonden die er aan de voorkant uit kwamen en aan maanden dood op bed liggen zonder dat het iemand opviel.

Heb ik nog een slotvraag: in welke verpleegkliniek worden de beste, respectievelijk smerigste oliebollen gebakken? En hoe verhoudt het resultaat van dat onderzoek zich tot het aantal doorligwonden? Graag uitgesplitst naar aantallen geconsumeerde bollen, geslacht en leeftijd.
_________
hhBest

woensdag 24 december 2008

De strijd om de laatste spullen

Woensdagmorgen, kwart over acht. Het schemert nog maar net. Op een normale woensdagmorgen is het winkelcentrum om deze tijd uitgestorven. Nu ben ik direct na aankomst in een nog maar net beschaafd gevecht om een parkeerplaats gewikkeld. Ik ben net iets brutaler (en meer bereid een deukje op te lopen) en win de strijd om de allerlaatste parkeerplaats.

Ik ben dan al twee kapperszaken gepasseerd waar alle stoelen bezet zijn, alle hulpkrachten al aan het werk en een rij wachtende vrouwen ongeduldig de beduimelde modebladen doorneemt.

De slager gaat pas om negen uur open, maar voor de deur heeft zich al een rij mensen gevormd. Bij de groentenjuwelier (©SW) loopt het storm, ik weet er geen ander woord voor.

In de supermarkt heerst een enorme drukte. Ook een ándere drukte dan anders. Anders lopen de mensen rustig het rondje met de klok mee, nu dwarrelen ze allemaal door de zaak, vaak met een papiertje in de hand, kennelijk op zoek naar een artikel dat ze maar zelden kopen, misschien nog nooit hebben gezien. Het personeel, ook maar net uit bed, moet bijna alle klanten te woord staan. Waar ze de cranberry’s kunnen vinden, of de gedroogde kerstomaatjes, de tongfilet, de allerduurste Spaanse ham, de crème fraîche en de sour cream.

Het kan zijn dat ik het me verbeeld, maar ik zie een zeker jachtinstinct, noem het maar rustig moordlust in de ogen van de mensen. Ik heb de ogen van mijn rivalen bij de parkeerplaats in het duister niet kunnen onderscheiden, maar die moeten ook zo gekeken hebben. Gelukkig zijn de cranberry’s op, anders hadden we daar gegarandeerd kunnen zien, hoe de hebzucht de mensen tot het uiterste kan drijven.

Ik zelf voel een zekere besmuiktheid, ik zou niet graag goede kennissen tegenkomen op dit uur in deze omgeving, want ook ik ben gewoon op jacht naar de laatste ingrediënten die ik nu volkomen onmisbaar acht en waarvan ik, dat weet ik zeker, morgenavond het grootste deel in de vuilnisbak zal kieperen.

Santa-claus Gisteravond heb ik nog weer eens, uit meligheid, zo’n idiote Amerikaanse kerstfilm over me heen laten komen. Zo’n film waarin het aan het eind zachtjes begint te sneeuwen, de Kerstman ‘ho ho ho’ roepend door de lucht raast achter de rendieren die het bevel niet begrepen hebben, de lichtjes in de miljoenen kerstbomen knipperend aangaan, half New York samendromt om een stemmig lied ten beste te geven en iedereen elkaar ‘Merry Xmas!’ toeroept.

Het echte leven is aanzienlijk harder. Maat er is een lichtpuntje: de visboer heeft de tongfilet al duchtig afgeprijsd.

Maar ik heb niemand ‘Zalieg Kerstfees!’ horen roepen. Daarvoor is het wachten op de paus.

_________________
hhBest

dinsdag 23 december 2008

Tis boekentijd!

Dit zijn de dagen van het boek, daar heeft Wim T. Schippers in zijn radiospotje gelijk in. Ik kan voor heel veel mensen hele leuke cadeautjes bedenken, maar als daar geen boek bij is – ik weet het niet. Bovendien is dit de eerste week van De Avonden. Gisteren ben ik er dan ook aan begonnen. ‘Het was nog donker, toen in de vroege morgen van de tweeëntwintigste december 1946 in onze stad, op de eerste verdieping van het huis Schilderskade 66, de held van deze geschiedenis, Frits van Egters, ontwaakte.’ In dat huis ben ik trouwens wel eens geweest, om Reves vader te interviewen, die óók wel eens een boek wilde schrijven.

Hoe dat boek heette, dat ben ik vergeten. (Maar je ogen vergeet ik nooit meer. Corry Konings.) Ik wilde het vanmorgen opzoeken op een gloednieuwe site, die in nrc.next van heden staat aangekondigd, www.isbnboek.nl , maar helaas was ik iets aan de snelle kant, want die pagina blijkt nog ‘under construction’. Hetgeen, maar dit terzijde, wel erg Engels is voor een site waarop alle Nederlandse ISBN-nummers met bijbehorende auteurs en boektitels bijeen zijn gebracht.

En om maar helemaal in de ‘bekentenisstand’ te gaan staan: natuurlijk sloeg ik die site vooral op om bevestigd te zien dat ik ook wel eens schuil ben gegaan achter een ISBN-nummer. En nee, ik ben geen éénboekauteur, daar heb ik me net bovenuit weten te verheffen, al was het dan met non-fiction: een tuinboek en reisverhalen uit Indonesië.

Boekentijd dus. Dezer dagen vierde Andrea Camilleri zijn drieëntachtigste verjaardag, en nog altijd schrijft hij een boek of drie per jaar. De Italiaanse televisie is inmiddels gestopt met verfilmen van de avonturen van commissaris Salvo Montalbano, maar de auteur schrijft onverdroten verder en vanmorgen begon ik aan ‘L’età del dubbio’, (uitg. november 2008) en omdat ik het boek nog niet uit heb kan voor mij die titel nog van alles betekenen, zoals ‘De leeftijd van de twijfel’, ‘De tijd van de twijfel’, en zo nog het een en ander. Alle ‘avonturen’ van de Siciliaanse politiecommissaris Salvo Montalbano beginnen, viel mij nu pas op, zoals De Avonden. ‘Aviva appena pigliato sonno doppo ‘na nuttata che pejo d’accussi nella sò vita ne aviva avute rare, quanno l‘arrisbigliò di colpo un trono che fu come ‘na cannonata sparata a cinco centilimetri dal sò oricchio.’ ‘Hij was nauwelijks in slaap gevallen na een nacht zoals hij nog maar zelden in zijn leven had meegemaakt, toen hij wakker werd door een knal zo hard dat het wel leek of er een kanon werd afgeschoten op vijf centimeter van zijn oor.’ De oplettende lezer zal gezien hebben dat Camilleri doorschrijft in zijn grotendeels zelf vervaardigde Siciliaans. En altijd begint het met het wakker worden van Montalbano.

Hee, ik dacht dat je De Avonden las?

Zeker. Maar de echte lezer leest meerdere boeken tegelijk. Vanmorgen heb ik ook de lezing beëindigd van ‘Nachttrein naar Lissabon’ van Pascal Mercier, een boek dat een bestseller is gebleken, maar op mij behoorlijk ontoegankelijk overkwam. Ik moet er nog eens over nadenken of ik daar nog eens op inga.
____________
hhBest

maandag 22 december 2008

Papier hier!

Papier  Het is natuurlijk een rotgezicht: de papierbak is vol en iemand heeft een zootje huis-aan-huisbladen niet bezorgd, maar gewoon naast de papierbak gekwakt. Samen met een flinke berg reclame voor Duitse supermarkten. Het wordt nog erger als het huis-aan-huisblad het blad blijkt te zijn waar jij wekelijks met je portret in staat en dat je in je eentje samenstelt en volschrijft. Natuurlijk, de bezorgers krijgen niet buitengewoon dik betaald, maar als je het karwei eenmaal hebt aangenomen moet je het ook afmaken. Trap iemand anders op het hart!

O denneboom, o denneboom

Het hogere nut van kerstversiering kan ik helaas niet inzien. Dat ligt aan mijn kortzichtigheid, dat besef ik ook wel. Sterker nog: ik beschouw kortzichtigheid als een van mijn betere eigenschappen.

Hier in huis ziet men dat trouwens een nuance anders. Ik word versleten voor een ouwe brombeer die gewoon de moeite niet wil nemen het met Kerstmis ‘gezellig’ te maken in huis, die beweert zichzelf al gezellig genoeg te vinden, als er maar iets gezelligs te eten en iets gezelligs te drinken ter tafel komt.

Maar zoals elk jaar wordt mijn mening volledig genegeerd. Sterker nog, ik word ingezet bij het aanschaffen, ophalen en plaatsen van de kerstboom. Mijn inbreng bestaat er in, dat ik de aanschaf zo lang mogelijk uitstel.

Eind vorige week moest ik er toch aan geloven. Bij de Boerenbond hadden ze alleen nog enige kreupele bultenaren met een dwarslaesie in de aanbieding, bovendien waren het slachtoffers van dwerggroei. Ik wees nog een enigszins acceptabel dwergje aan, in de hoop dat het geaccepteerd zou worden door de hogere leiding, maar het dingetje bleek om onnaspeurlijke redenen vijfenveertig euro te kosten, en daar was zelfs het gat in mijn hand te klein voor.

Dus op naar de boer in de Groenstraat waar wij al eerder kerstbomen vandaan haalden. Die had nog wel wat in voorraad, soms wel vier meter hoog – maar dan wel met bovenste meter helemaal kaal, een erg modern concept.

De struise boerendeerne die de verkoop verzorgde – aan haar handen kon je zien dat ze liever de spenen van de koeien masseerde – pakte de boom die wij aanwezen, meldde dat het tarief twaalf euro vijftig was, en riep mijn hulp in bij het verpakken van het ding in zo’n kerstbomencondoom.

Thuis werd het gevaarte nog een tijdje op het terras gelegd, maar gisteren was er geen houden meer aan: de boom moest worden opgezet, te meer omdat de uit Canada geïmporteerde standaard dringend behoorde te worden uitgeprobeerd.

Het was mooi, de bovenste dertig centimeter ging er af en de top werd vakkundig aangepunt, de boomschroeven van de standaard aangedraaid en klaar.

Helaas.

De boom stinkt. ‘Dat is de modder daar op die boerderij,’ oppert Djamila en inderdaad, die modder was spectaculair, je waande je ergens in de Oekraïne. Er liep nog net geen dronken varken tegen je benen te schurken.

De spuitbus Oust brengt enig soelaas. Maar een bang vermoeden begint zich breed te maken. De boom is door de honden in de buurt een paar weken lang gebruikt als pispaal en dat ruiken wij nu. Djamila vindt dat het meevalt. ‘Ik ben er al helemaal aan gewend, zegt ze dapper. ‘Misschien helpt spuitsneeuw.’ Ik wil hem naar buiten, kunnen we hem ook zien (en niet ruiken.)

Ik ben inmiddels zo ver dat ik wel een andere boom wil kopen.

Nog erger dan anders verlang ik naar 1 januari, wanneer die troep weer achter de rug zal zijn. Inclusief hondenpis.
______________
hhBest

zaterdag 20 december 2008

Alle fotografie is manipulatie

Weinig persfotografen uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zouden nu nog hun beroep uitoefenen als bij hen dezelfde strenge maatstaven waren aangelegd als Pieter Broertjes van de Volkskrant nu deed met fotograaf Jans, die werd ontslagen wegens ontoelaatbare manipulatie van foto’s.

In die tijd werd het volkomen normaal gevonden dat een fotograaf, zonder daar bij overigens te beschikken over Photoshop, een ‘ontbrekende’ voetbal monteerde in de foto van een spannend moment voor het doel. En op de opmaak werden portretten die ‘de pagina uitkeken’ gespiegeld. Zodat de ongelukkige gefotografeerde ineens die enorme wijnvlek op de linker-, in plaats van op de rechterwang had en bovendien zijn overhemd een damessluiting had gekregen, zijn pochetje rechts zat en zijn horloge ook. Ik heb dat altijd ontoelaatbare manipulatie gevonden en trouwens onzin – de pagina uitkijken kan soms zelfs nog wat extra spanning leveren.

Fotograaf Jans had een foto geleverd waarop twee meeuwen waren toegevoegd, en dat moet kunnen, en een foto waaraan een hert dat er wel op stond, was gekopieerd en ergens anders op de foto toegevoegd. Als je dat doet voor een mooie compositie moet dat nog wel kunnen, vind ik; gaat het er om te bewijzen dat ergens wel erg veel herten lopen, dan kan het natuurlijk weer niet.

Maar wat ik echt een onvergeeflijke fout vind en een reden tot ontslag op staande voet is de smoes die Jans voor die laatste foto paraat heeft. ‘Met die foto is op de computer bij mij thuis door toedoen van familieleden wat raars gebeurd,’  is zijn argument. Wie zo onprofessioneel is dat hij de computer voor Jan en Alleman laat openstaan en dan ook nog niet merkt dat een grapjas met zijn foto’s bezig is geweest, die verdient niet beter dan voortaan vakken te gaan vullen in de supermarkt.

Blijft de vraag: wat mag wel en wat niet? Het lijkt me eenvoudig. Als je door een manipulatie in Photoshop iets wilt bewijzen dat niet waar is, dan ga je dus over de schreef. Denk aan de foto van het Sovjetpolitburo waar Leon Trotskij uit verdwenen was: de foto ‘bewees’ dat Trotskij nooit had bestaan.

Maar de scherpte, het contrast of het kleurenschema van een foto verbeteren, dat moet kunnen. Ook een uitsnede maken om storende elementen weg te laten, zelfs storende elementen uit de achtergrond verwijderen moet kunnen. Bijvoorbeeld een verwarmingsbuis wegwerken die langs een muur loopt achter de geportretteerde, daar doe je jezelf en de beschouwer alleen maar een plezier mee. Tenzij je er op uit bent te bewijzen dat de geportretteerde door vuig ingrijpen van de huisbaas helemaal geen centrale verwarming heeft.

Voor de rest is het in dit geval ook mogelijk aanzienlijk roomscher dan de paus te zijn. Want alleen al het ter hand nemen van een camera, het merk en het type van de camera en de handigheid van de fotograaf zijn in feite ook manipulaties.

Zo kun je wel ophouden met fotograferen en filmen.
__________________

De  foto van de hertjes is te zien op: hhBest


vrijdag 19 december 2008

Horen in High Definition

Eigenlijk stond ik op het punt de audicien te zeggen dat ik het ging proberen met dat ene overgebleven ‘oortje’, een van de twee gehoorapparaten die ik me vijf jaar geleden liet aanmeten. Het andere verloor ik drie jaar geleden op geheimzinnige wijze tijdens een verblijf op de camping van Cremona in Italië. Daarna droeg ik ook de andere nauwelijks meer. Ik hoorde mezelf wel vaak vragen aan mensen die ik sprak: ‘Wat zeg je?’ En sommigen vatten dat op als het sein om te gaan schreeuwen, maar voor de rest dacht ik: zo doof ben ik eigenlijk niet.

Ik had vooral een hekel aan het gehoorapparaat om diverse redenen: je kunt er niet mee in de regen lopen, telefoneren is onmogelijk zonder het apparaat te verwijderen en ik kreeg er hevige jeuk van in mijn oor. Bovendien was het geluid dat het me opleverde niet echt geweldig.

Maar omdat ik na vijf jaar weer recht had op vergoeding en omdat ik het niet vergoede bedrag dit jaar nog zou kunnen aftrekken van mijn inkomen voor de inkomstenbelasting, vervoegde ik me bij de audicien en sprak met hem af dat hij mij een ultramodern apparaat zou aanmeten.

Epoq_benefit Toen ik een paar dagen later terugkwam was ik eigenlijk van plan te zeggen dat ik er van afzag: ik droeg het ding toch bijna nooit en ik kon mijn centen wel beter gebruiken. Maar hij haalde zo trots de apparaatjes van het merk Oticon Vigo te voorschijn, dat ik dacht: vooruit dan maar, ik doe hem een plezier, ik probeer ze uit.

Hij hing ze aan mijn oren, sloot ze aan op zijn computer en begon ze in te regelen. Als door een wonder trok een dikke, rokerige sluier op en hoorde ik opeens glashelder het gehele landschap om me heen. Nadien heb ik al eens tegen iemand gezegd: ‘Ik kan nu een speld in een hooiberg horen vallen,’ en dat is inderdaad. De audicien zei het anders: ‘Dit is HD-horen.’ En HD, voor wie het niet weet, is het televisiebeeld van de toekomst, onwezenlijk scherp, bijna driedimensionaal.

Achter het hoor zit nog steeds de machinerie. Nog steeds kwetsbaar voor regen. Maar het ding is kleiner en heeft de donkergrijze kleur van mijn hoofdhaar. Vanaf het apparaatje loopt een ragfijn buisje, dat het oor in gaat. Aan het eind zit een luidsprekertje van niks, dat je voorzichtig tegen je drommelvlies drukt. Een wereld gaat voor je open, ik hoor nu zelfs het minieme piepje dat meldt dat ik op Caps Lock heb gedrukt. Wat had ik de tv altijd hard aan staan! Wat praatte ik altijd hard!

Ik kan er nu ook mee telefoneren. En er is natuurlijk een nadeel. De apparaatjes zijn nu zo klein, dat ze nog gemakkelijker kwijt raken.

Kunnen we regelen dat het ding op te piepen is? Want ik wil je wel houden!
____________
hhBest

woensdag 17 december 2008

Het Groot Dictee swaffelt

Het ergste was natuurlijk, dat ik de derde persoon enkelvoud verleden tijd van ‘spelden’ met een enkele d schreef; van eaudecarme had ik nooit gehoord, net zo min als van een jozefshuwelijk, een woord ik dat wel foutloos geschreven bleek te hebben. Sodom en gomorra daarentegen zul je natuurlijk vergeefs op de landkaart zoeken en daarom moeten ze met een kleine letter (of zoiets) en gueuze lambic vind ik mooier dan geuzelambiek, maar ach – ik had ‘slechts’ twintig fouten in het Groot Dictee der Nederlandse Taal; omdat jullie dat toch niet geloven, maar snel over naar een veel interessantere taalkwestie, te weten het swaffelen.

Het is minimaal vier jaar geleden dat de uitsmijters van de dixo hier ter stede, Las Vegas, tevens muzikaal actief, een in Nieuwenhagen wereldberoemd geworden zomerhit ten beste gaven die de titel droeg ‘Swaffelen’. Zie deze clip. Daarin is te zien dat swaffelen ‘een beetje met de armen omhoog wezenloos staan te wankelen’, is, en hieruit leid ik af dat de oorspronkelijke betekenis van het werkwoord nog niet lijkt op wat er dezer dagen plotseling van gemaakt is. Het is in ieder geval niet het nieuwe woord van 2008, want zoals gezegd: het is vier jaar oud en de clip op Youtube staat er ook al sinds 4 november van het vorig jaar. (Op internet kun je vinden dat het woord zelfs al minstens sinds 1996 bestaat.)

Maar ja, de zeikerds van GeenStijl zijn een beetje door hun ideetjes heen en herhalen steeds dezelfde grap: een internetverkiezing kapen.

Wat mij betreft is het enige woord dat van 2008 zal beklijven: ‘horroropa’, voor een manspersoon die zich voortplant met behulp van zijn eigen dochters. Maar ik geef uiteraard mijn mening graag voor een andere, betere opvatting. Het leukste tv-moment vind ik uiteraard de opname van een Nederlandse wielrenner die bij de start van de eerste etappe van de Tour de France helemaal niet in de gaten had dat de collega’s al waren vertrokken. Het gezicht dat hij trok toen hij merkte wat er aan de hand was krijgt meteen een afzonderlijke prijs: De Stomste Kop van 2008, waarbij het dan weer niet verwonderlijk is dat het een wielrenner betreft – als je niet hersenloos bent kun je dat gefiets naar mijn mening niet erg lang volhouden.

Keer ik toch weer even terug naar het Dictee. Bart Chabot mag van mij ten eeuwigen dage prominent blijven – al moet er steeds nadrukkelijker bij vermeld worden dat hij een BN’er is. Maar ik wil er voortaan wel steeds Elle van Rijn bij hebben, compleet met haar sneeuwwitte boezem die net als bij de Selvera’s, die ook lekker konden swaffelen, nauwelijks bedekt was.
______________
hhBest

De leraar en de grote vakantie

Het is lang geleden dat ik nog wel eens een blonde schuimgekraagde dronk met Julius. Julius was leraar maatschappijleer op een vwo-school hier ter stede, en hij had alleen maar eindexamenklassen. Een mooie baan, want hij had al vrij vanaf Pasen, tot eind augustus ongeveer. Op zekere dag in juli betrad hij met een somber gezicht het café. Op de vraag wat hem scheelde antwoordde hij: ‘Ik moet in augustus een dag eerder beginnen. Vergaderen.’ Wij leefden met hem mee en lieten een extra glas voor hem aanrukken.

Het verschijnsel dat iemand leraar wordt wegens de lange vakanties is van alle tijden, maar tot voor Schoolmeester2 kort dacht ik echt dat de desbetreffende docenten uitzonderingen waren – en niet de best gemotiveerde leraren, natuurlijk.

Want, mijn dames en heren, de cao van de docent is geen in de hemel uitgevonden stukje arbeidsvoorwaarde waarin onder andere geregeld is dat een leraar recht heeft op herfst-, kerst-, krokus-, paas- , mei- en grote vakantie, te begroten op een week of dertien, veertien. En ook is het niet waar dat een leraar een werkweek van 23 of 24 uur (van vijftig minuten per stuk) heeft.

In de cao voor leraren in het voortgezet onderwijs staat dat leraren ongeveer hetzelfde aantal vakantiedagen hebben als de meeste andere werknemers, dus rond de dertig werkdagen per jaar. Voor oudere docenten komt daar een bepaald aantal dagen (van acht uur) bij. Ook voor leraren geldt een werkweek van 38 uur. Leraren worden namelijk verondersteld nog andere dingen te doen dan op vijf dagen in de week een kleine vijf lesuren van vijftig minuten per stuk te geven; denk daarbij eens aan lesvoorbereiding, bijblijven in het vak, huiswerk nakijken. En docenten krijgen daar in de weken dat de leerlingen vakantie hebben alle tijd voor. Ook vergaderen kan mooi in die tijd.

Dat schijnt allemaal een beetje verwaterd te zijn zodat er tegenwoordig om de haverklap vergaderd of bijgespijkerd wordt terwijl er eigenlijk les gegeven zou moeten worden. De leerlingen zitten intussen gezellig thuis te MSN’en of hangen doelloos rond op straat.

Een commissie die zich in alle bochten wurmt om leerlingen minstens duizend uur gemotiveerd les te laten geven, haalt zich de toorn van de onderwijsvakbonden op de hals als ze voorstelt de zomervakantie (van de leerlingen!) met een week in te korten en terug te brengen tot zes weken, evenveel als de leraren op basisscholen. Kom niet aan onze vakantie, is het motto. Jullie vakantie? De vakantie van de kinderen, zul je bedoelen! (Die trouwens ook veel te lang zijn, maar dat bekijken we een andere keer.)

Dus zo raar is het niet dat ik deze week herhaaldelijk aan Julius moest denken.

____________________
hhBest

dinsdag 16 december 2008

Derrick, ein Mordfall

16122008 tampert ‘Wir sind hier um ein – ja, wie sage ich das jetzt – um ein Mordfall zu untersuchen.’ Een langzaam en bedachtzaam uitgesproken zin, door een man in een trenchcoat met een rare grote zonnebril op. Nee, niet Derrick zelf, ook niet Horst Tappert, maar diens alter ego, Tampert, in een van de afleveringen waarin de roemruchte groep Jiskefet de Duitse rechercheur van de Kriminalpolizei, mooier nog: van de Mordkommission, Stefan Derrick, parodieerde. De acteur met het pokerface die in 281 afleveringen als een soort sociaal werker moordzaken oploste, waarbij hij zelf meteen de psychologische nazorg voor de dader verzorgde – streng maar meelevend – en geregeld een sneer over had voor de als altijd decadent rijke familie waarin het akkefietje zich had afgespeeld. Waarna hij weer met zijn onafscheidelijke assistent Harry in de BMW met Münchens kenteken stapte en op weg ging naar de volgende Mordfall. In Jiskefet heette Harry Freddy, ze reden in een BMW met kenteken uit Paderborn en ze gaan een café binnen met de naam ‘Café-restaurant De Tol. Zie: dit filmpje . Maar de sfeer was perfect getroffen.

Terugkijkend zul je moeten toegeven dat Derrick eigenlijk een oersaaie serie was, de doktersroman in de misdaad. Geen enkel geval leek ook maar in de verste verte op iets dat zich in het echte leven voorgedaan zou kunnen hebben. En wat nog erger was: het ging onwaarschijnlijk traag allemaal, met veel langdurige borende blikken, en veel bezoeken van de meestal vrijwel zwijgende Derrick aan allerlei betrokkenen en/of getuigen. Waarbij de geoefende kijker binnen vijf minuten de dader kon aanwijzen – dat was duidelijk afgekeken van Columbo, ook al zo’n regenjas. Vrijwel nooit lag er aan de bewijsvoering een subtiele samenloop van omstandigheden ten grondslag waardoor een uiterst slimme doorgewinterde smeris de zaak kon oplossen. Veruit de meeste oplossingen waren het gevolg van het onnavolgbare inzicht dat Derrick in de zielenroerselen van daden en slachtoffer verkreeg door langdurig en geheimzinnig met een strak gezicht zwijgend rondkijken.

In Engeland hebben ze sindsdien een schaamteloze kopie, maar tevens een enorme verbetering doorgevoerd door een aanzienlijk gemenere ‘rechercheur’ in de hoofdrol te zetten, een soort ‘dirty Harry’ of zo u wilt een ‘dirty Freddy’ of voor mijn part ‘dirty Stefan’ in de serie (‘aus der Reihe’) A Touch of Frost. Maar ook daarvan moet je zeggen: als je er een hebt gezien, dan heb je ze allemaal gezien.

Niettemin was Derrick een monument. Ik bedoel maar: sinds de serie stopte met de overplaatsing van Derrick naar Europol hebben we de aanslagen op het WTC gehad, de inval in Irak, de tsunami en de kredietcrisis. Ik weet niet zeker of Derrick dat niet allemaal had kunnen tegenhouden, met zijn feilloze inschatting van de verdorvenheid van het brein van zo ongeveer iedereen. Maar ik vind met mijn onbeschrijflijke, op psychologie van de koude grond berustende, mensenkennis  - wie sage ich das jetzt – absoluut niet onwaarschijnlijk.
___________
hhBest

maandag 15 december 2008

Wien de schoen past

Naar verluidt hebben verscheidene Amerikaanse honkbalverenigingen de Iraakse journalist die zijn schoenen naar het hoofd van Bush gooide al een aanbod gedaan: beide worpen waren beter dan wat de meeste pitchers in de hoogste klasse van het Amerikaanse honkbal klaarspelen. Behalve over die Iraakse journalist zegt dat iets over het Amerikaanse honkbal, natuurlijk.

Wat me meevalt is dat die journalist inderdaad schoenen bleek te hebben; een onderzoek naar de herkomst er van lijkt me zeer tersnede. Zijn die gesmokkeld, gestolen, geleend? Eigendom lijkt me onwaarschijnlijk. Dan bedenk je je toch wel tweemaal: heb je eindelijk langs slinkse wegen en met gevaar voor eigen leven en het inleveren van duizenden piasters een paar schoenen georganiseerd, dan ga je ze toch zeker niet weggooien.

Niemand in Irak is de laatste jaren immers eerlijk ergens aan gekomen. Dat concludeer ik na het bericht dat er honderd miljard dollar is besteed aan de ‘opbouw’ van het land, waarvan zo ongeveer niks tot stand is gebracht. Ik neem aan dat de poen is blijven hangen bij een oude slimmerik in Wall Street, die er een leuk piramidespel mee aan het spelen is.

Het verhaal doet me denken aan de roman van Graham Greene, Our Man in Havana. Die leverde ook resultaten, met name over de productie van een ultra geheim wapen op het eiland. Of hij er honderd miljard voor kreeg of iets dat ook maar in de buurt kwam, dat herinner ik me niet. Maar de foto’s van het geheime wapen die hij naar Londen stuurde maakte hij van onderdelen van de stofzuiger die hij had aangetroffen in de kamer die hij in Havana had gehuurd. Is ook een mooie film van gemaakt.

Bush heeft gelukkig een botte kop, anders had hij meteen begrepen dat hij deze belediging niet over zijn kant kon laten gaan. Maar in Amerika gooien ze elkaar gewoon alleen al uit verveling schoenen naar de kop en verder hebben ze alleen ervaring Nikita Chroesjtsjov in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, die op 13 oktober 1960 zijn schoen uittrok en er voluit mee op tafel sloeg. Het gekke is dat niemand meer weet waarom hij dat precies deed, en of dat het in Koersk, waar hij vandaan kwam, de gewoonte was.

Het zou jammer zijn als de Iraakse journalist net zo roemloos zou verdwalen in de geschiedenis als Nikita. Want hoe je het ook bekijkt, een goede daad was het wel. Alleen jammer dat Bush niet op hoge toon om ophanging of onthoofding heeft gevraagd, of steniging, nog mooier. Maar een mooiere afgang voor de leukste president die de VS ooit hebben gehad, had ik in ieder geval niet kunnen bedenken.

Hij bukte trouwens wel heel snel, dat viel me heel erg mee.


________
hhBest



zondag 14 december 2008

Amerika is geen autoland

Veel journalisten zijn heel erg gek op Amerika, en dan hebben ze heel vaak het Amerika van de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw voor ogen. Vandaar dat je de afgelopen dagen verdrietige stukjes kunt tegenkomen in de kranten over de aanstaande teloorgang van General Motors en van Chrysler.

800px-87-90_Chevrolet_Caprice_wagon Alsof GM nog altijd de Chevrolet BelAir in productie had. Of, mijn favoriete Amerikaanse bak, de Chevrolet Caprice Classic Stationwagon. Allemaal verleden tijd. Wie voor het eerst naar Amerika gaat en via internet een Chevrolet Classic heeft gehuurd, moet zich voorbereiden op een desillusie: het is een lelijke bak, vermoedelijk ontworpen door een wegens onkunde in Japan ontslagen auto-ontwerper. In april huurde ik in Californië een Packard – een Packard was in de jaren dertig van de vorige eeuw een reusachtige treinwagonachtig geval, vooral in gebruik bij Al Capone en zijn nazaten. Nu is het een soort Nissan Almera, die keurig twaalf kilometer aflegde op één liter benzine.

Rond steden als Los Angeles en Denver kun je ze nog wel zien, de wrakken van de auto’s uit dat nostalgische en voor eeuwig afgesloten tijdperk. Vaak bij handelaars in tweedehands bakken, ook wel op schroothopen of half vergaan naast een al even treurig uitziende caravan in een vergeten stuk woestijn.

De meeste Amerikanen rijden in een goedkope Japanner; en de meeste ‘echt’ Amerikaanse merken maken, kortom, net zulke goedkope karretjes. Wie zich wil onderscheiden heeft een Volvo (liefst oud) of een Saab, een VW Golf; BMW’s en Mercedessen zijn ook geliefd. Heel veel lieden hebben een pickup truck, en als ze in de stad wonen een SUV – beide voornamelijk van Amerikaanse merken zoals Chevrolet en Ford en Dodge, en af en toe ook een Jap.

Dat in Amerika nooit meer de ‘sleeën’ uit de jaren vijftig zullen terugkeren is geen nieuws. Technisch waren het ondingen, ze wogen tonnen, waren nauwelijks vooruit te branden, hadden een wegligging van niks en reden op levensgevaarlijke banden. En ze slobberden benzine. Gaf niks: benzine was (en is) vrijwel gratis.

Eigenlijk kun je zeggen dat de typisch Amerikaanse auto-industrie daaraan ten onder gaat; terwijl in Europa en Japan enorme vooruitgang werd geboekt bij het moderniseren van de auto, met name met het oog op verbruik en veiligheid, zagen ze in Amerika vaak de oplossing in ‘doe er nog een litertje cylinderinhoud bij.’

Een aardig voorbeeld was de camper die ik in april huurde. Een gevaarte van ruim vijfduizend kilo op een zeswielig Chevrolet bestelwagenonderstel. Die vijfduizend kilo kwamen met name van het massief houten interieur en de gietijzeren oven, magnetron, koelkast en vriezer. Geen nood:onder de motorkap zat zo’n primitieve achtcylinder zeslitermotor, in vijftig jaar nauwelijks gewijzigd – veel brute kracht en een verbruik van één liter benzine op 4.8 kilometer.

Ford_edsel-shiny Die lui kunnen gewoon geen auto’s bouwen. En carrosserieën van enige esthetische oogstreling zie je ook niet meer. Of toch wel: in het plaatsje Seligman, Arizona staan er twee geparkeerd, bij een winkeltje in Route 66-spullen, ook al zo nostalgisch. Het zijn Ford Edsels, de laatste ‘sleeën’ die ooit werden geproduceerd. En die wezen al naar de toekomst: ze waren ook toen al mooi van lelijkheid.
___________
hhBest

zaterdag 13 december 2008

Alleen thuis

Home alone. Nou, alone. Als je een gezin hebt, ben je niet gauw alone. In ieder geval is er nog een thuis die weliswaar zeer lange uren maakt in bed en verder ook niet achter de gamecomputer is weg te slaan. Aldus werkt hij mee aan het beeld dat je krijgt bij het begrip ‘home alone’. Ik hoef alleen maar af en toe chips voor hem te gaan kopen. Hij blijkt daarbij dure voorkeuren te hebben: zo zijn er gerechten die uitsluitend verkrijgbaar blijken te zijn bij de Extra supermarkt, in het centrum van de naburige Duitse stad Geilenkirchen. Met namelijk de brezels zijn daar van onovertroffen kwaliteit.

Jammer genoeg is hij geen voorstander van algemene ontwikkeling. Zo kan hij hoogstens enige wrevel opbrengen voor mijn enthousiasme voor de deken van smog boven het Ruhrgebied die aan de kraakheldere hemel goed te zien is, naast de enorme stoomwolken, geproduceerd door de elektriciteitscentrales die op bruinkool draaien en die buitengewoon fotogeniek aan de horizon staan. Dat alles brengt hem hoogstens tot een korzelig ‘kijk jij nou maar een beetje naar de weg.’

Ik mag graag naar de Extra gaan, want ’s middags kun je daar zien hoe de aan de Nederlandse kant verfoeide Awacs Boeings bezig zijn te landen, waarbij ze ongeveer op kruinhoogte oorverdovend overgieren; mijn dag kon helemaal niet meer kapot toen ik meende te zien dat een van de toestellen alleen het neuswiel naar buiten had weten te krijgen. Gelukkig heb ik weerstand geboden aan de impuls, de pers te alarmeren voor een vliegramp.

Kortom, home alone. Djamila belt vanaf het dek van het cruiseschip dat ze op de Nijl vaart en dat de volle maan door de palmen over de armoedige hutjes van de fellahs schijnt. Het is 25 graden. Heb dank daarvoor. Ik ben de enige die verwonderd denkt: kraakheldere mobiele verbinding met het hartje van donker Afrika.

Ik vind het wel mooi, hoor, dat ze ook eens een keer in een land is geweest dat ik nog nooit heb gezien, meestal is het omgekeerd. Zijzelf geniet ongetwijfeld van haar zelfstandigheid, die na 2001 voorgoed verloren leek.

En ik kan eens zien hoe het is, home alone. Eindelijk de eettafel ingericht als kantoor. De stapel reisboeken voor Spanje en Portugal, het hele archief van het huis-aan-huisblad, de dikke zaterdagse kranten, de agenda, het dienblad, de koffie. De laptop en de tv aan, voor het nieuws. De camera en de verrekijker voor het massaal opgedoken gevogelte. Wasmachine en afwasser draaien op het kortste programma – dat mag anders nooit. ‘Zo wordt het nooit helemaal schoon.’

Misschien was het toch leuk geweest, die piramiden.

Maar dan had toch mooi dat gevoel van macht over het stroomverbruik gemist.

______________

hhBest

vrijdag 12 december 2008

Eens plagiator, altijd plagiator

Psycholoog René Diekstra deed weer eens wat je van een goede psycholoog mag verwachten: hij bewandelde naar beste traditie de platgetreden paden naar de gemeenplaatsen, en de gemeente Den Haag betaalde hem daar dankbaar een ongetwijfeld interessant bedrag voor. In P&W mocht hij gisteren Wilma van der Maten en dominee honoris causa Noordenbos (of Oosterbos, als er maar een gemeen koude wind vandaan waait) kapittelen wegens verkeerde antwoorden op zijn vileine vraagjes. Bijvoorbeeld: kinderen van een maand merken al dat pappie en mammie elkaar niet kunnen luchten of zien, en daardoor wordt het kind later een kut-Marokkaan of een botte corpsbal, al naar gelang.

Wilma zat er een beetje bij als iemand die denkt: wat een luxe, aan dat soort vragen komen ze in India (haar standplaats) nooit toe, als ze al toekomen aan het opvoeden der kinderschaar.

Trouwens, in Nederland moeten we ook bescheiden zijn: alvorens de kinderen opgevoed kunnen worden moeten ze natuurlijk wel in leven blijven. De afgelopen dagen is Nederland zo’n beetje neergezet als een land dat op het gebied van de kindersterfte is teruggekeerd naar de negentiende eeuw en Charles Dickens De tijd dus waarin je een hok met jongen op de wereld moest zetten om de kans te hebben er een of twee volwassen te zien worden. Die dan ook nog de kans liepen naar Australië verbannen te worden, als pappie en mammie niet van elkaar hielden of, dichter bij huis, als kloniaal naar Indië te worden gestuurd, waar ze dan weer vroeg dood gingen aan aldaar heersende ziektes.

Het heeft wel iets van soliditeit, dat je je vooral moet concentreren op levend baren en in leven houden van het kroost – dat voldoet namelijk aan mijn principe van opvoeden: dat gaat vanzelf; je moet naar beste vermogen een soort voorbeeld geven en tevens tonen dat je ook niet precies weet wat een goed voorbeeld is; en als de kinderen dan toch de mist in gaan kun je er op wijzen dat ze verre ooms en tantes hebben met het gewenste soort criminaliteit in de genen, vooral aan de koude zijde van de afstamming, dat spreekt voor zich. Waarna de ouders elkaar alsnog in de haren kunnen vliegen over de vraag, wie precies het dominante genenpakketje heeft meegebracht.

Jan Blokker had vanmorgen trouwens nóg een appeltje te schillen met Diekstra die ooit (naar ik meen: nauwelijks terecht) is beschuldigd van plagiaat. Blokker heeft net met zijn zonen een boekje geschreven dat gaat over ‘De geschiedenis in twaalf (of twintig) moorden’, en omdat het Nationaal Historisch Museum de gebroeders De Witt onlangs ter sprake heeft gebracht, die ook in Blokkers boekje voorkomen, was Diekstra daar schuldig aan, of zoiets. Ik heb Blokkers stuk in nrc.next een aantal keren gelezen, en ik kan er niets anders van maken.

Jammer.

_________

hhBest


donderdag 11 december 2008

Een avondje lekker lachen

11122008-foto-erica-deze Erica Terpstra kan zichzelf nog zo vaak een ‘mieters mens’ vinden, je maakt mij niet wijs dat iemand wiens verlangen er naar uit gaat ooit nog eens een legging met panterprint te dragen, in het openbaar nog wel, een buitengewoon hoge dunk van zichzelf kan hebben.

Een legging met panterprint, laat dat eens goed tot je doordringen. Dat was al volstrekt onmogelijk in 1985, toen het toch al helemaal duidelijk was dat een legging met panterprint eigenlijk alleen maar kon voor mannen uit een vogelaarbuurt?

Maar nee, Erica T. was speciaal naar DWDD afgereisd om de verbijsterde Matthijs van Nieuwkerk en sidekick Cornald Maas van haar aanschaf op de hoogte stellen. Ze was er natuurlijk uitgenodigd wegens het ongehoorde feit dat ze een poging had gedaan er net zo in elkaar gestort bij te gaan zitten als Hanneke Groenteman na diens poging er te gaan uitzien als, als, nou niet vrouwonvriendelijk worden, als een veel te magere Hanneke Groenteman. Dat was Erica niet gelukt. Hoewel ze weigerde haar maximale gewicht te vermelden voor ze begon af te vallen, schat ik toch dat er daar, na verlies van veertig kilo, nog ‘best wel’ negentig van over waren, en dat had Hanneke dus niet, die was ergens onder de zeventig kilo aangeland, en still on the slope downward.

Verder kun je van Erica zeggen wat je wil, maar die mag overal zeggen wat ze wil, van het Holland Heinekenhuis tot en met DWDD; elke zin die ze met dat ineens scheve bekkie te berde brengt is goed voor dijenkletsende lachsalvo’s, zowel op de tribune als bij de degenen die eigenlijk onbewogen scherpe vraagjes zouden moeten blijven stellen. Maar nee. ‘Pannekoekjes aan het galadiner!’riep ze. Hahahahoehoehaha! ‘Op de hometrainer in een Chinese hotelkamer!’ Hahaha! Ik doe het in mijn broek! Hoehoehaha! ‘Een psycholoog, een personal trainer, een atletiekcoach, mijn moeder, mijn modeontwerper!’ Hahaha, schei uit; de eerste dames verlaten met de hand in het kruis de tribune, de tranen biggelen hen over de wangen, in geen jaren zo gelachen. En voor de laatste moet je natuurlijk een bovennatuurlijke blaassphincter hebben: ‘Een panter met leggingmotief!’ De hele zaal plat. Erica Terpstra dansend op de tafel. De vellen hangen erbij.

Tussen haar benen door kan een snikkende Matthijs van Nieuwkerk nog net roepen dat morgen Anton Geesink aan zijn tafel te zien zal zijn. Hij is naar verluidt driehonderd kilo aangekomen en heeft zich geheel in pantermotief laten tatoeëren. ‘En Edgar Vos is mijn tafelheer!’

Gelukkig kun je vervolgens even rustig bij komen in ‘Het journaal in zestig seconden.’ En bedenken dat je Erica Terpstra terug wilt. Dik.
___________
hhBest

woensdag 10 december 2008

Lofzang op Europa

Europa, het is me toch een zootje. Houd mijn ten goede: ik ben een groot voorstander van de Europese Unie, alleen al wegens het gemak waarmee je er kunt reizen en betalen – mijn heimwee is bijna voorbij, naar slagbomen, norse douanebeambten die met de blote hand je anus inspecteren, het geknal van stempels, al die verschillende bankbiljetten en munten. Gelukkig hebben we nog wel de talen, dat is dan weer wel leuk. Wat dat betreft zijn we net de Verenigde Staten van India.

Maar toch. Ik lees een interview met Lech Walesa, die in de stoel tegenover de interviewer neerploft en roept: ‘Eerste vraag!’ Ooit interviewde ik hem ook, het meisje van twintig dat als tolk optrad was het leukste van het gesprek. De geweldige democraat en super-Pool klom onmiddellijk op de kast toen ik begon over zijn vriendschap met IJzeren Margaret – en op die toon praten de leiders van dat prachtige land nog altijd tegen alles en iedereen. Een verongelijkte toon, kun je zeggen. Polen vinden bovendien het milieu flauwekul – mogelijk zijn ze bang voor afkickverschijnselen als ze ineens geen roet meer zouden kunnen inademen.

Dan hebben we Italië, dat natuurlijk al jaren vals speelt, maar nu toch echt, compleet met Ferrari Testarossa, de armste en corruptste dictatuur van het continent dreigt te worden.

Finnen en Slovenen, bien etonnés de se trouver ensemble, hebben een ingewikkeld akkefietje waaraan pittige ingrediënten als wapenhandel en steekpenningen in voorkomen – en dan moet je nagaan dat Finland doorgaat voor het minst corrupte land ter wereld.

Veel van de overige EU-landen proberen op eigen houtje, de anderen op armen, benen en hoofd trappend, uit het kredietcrisisdal te klauteren, waarbij als vanouds een spectaculaire rol is weggelegd voor Duitsland en Frankrijk.

En dan hebben we Griekenland.Jan B. pleegt te zeggen dat ‘Grieken Turken zijn die een andere taal spreken’, en uiteraard distantieer ik me van de racistische component van deze uitspraak, maar raak is hij wel. Griekenland is een democratisch land – het woord democratie staat zelfs in de officiële naam van het land. Dan moet je trouwens opletten: Oost-Duitsland heette ook heel lang de Duitse Democratische Republiek.

Maar Griekenland wordt sinds jaar en dag, met korte onderbrekingen door een monarchie en een kolonelsregiem, geregeerd door twee families: Karamanlis en Papandreou. Die hebben een gezellige kliek van zeer burgerlijke en zeer rijke Grieken om zich heen en de rest kan de pest krijgen.

Dat weet de rest, maar gelukkig zijn ze vaak te lui of te moe om achter de Griekse koffie uit te komen; dezer dagen lukte het wel weer eens. Het bosbrandseizoen is voorbij, maar gelukkig hebben we Athene nog: daar staat zat dat goed fikt en waar heel vaak heel weinig aan verloren is.

Het leukste van de EU ligt in de nabije toekomst. Op 1 januari wordt Tsjechië voorzitter, en reken maar dat dat lachen geblazen is. De president en de premier van de dat land rollen nu al vechtend door de straten van Praag. Als de president zijn zin krijgt stapt Tsjechië zo gauw mogelijk uit de EU, gevolgd door de rest van Europa.

Tijd voor Gordon Brown om een illustere voorganger te citeren: “Peace in our time’, oftewel, het zal mijn tijd wel duren.

Het woord is aan Geert Mak.
_______________
hhBest



dinsdag 9 december 2008

Carnaval gaat aan rook ten onder

Eerst jaren gedacht dat carnaval was om te zuipen. Toen ik daar inmiddels proefondervindelijk zeker van was geworden, leek me carnaval ook iets voor kont- en tietknijpers. Dat wordt nog altijd hevig ontkend, en nog heviger dat het bij carnaval vooral om de snelle wip tegen de muur achter de garderobe te doen zou zijn. Ik zwijg nu even over de kleine minderheid die stug volhoudt dat carnaval gewoon is voor de jolijt en die dat demonstreren door openlijk water te drinken tijdens de dolle dagen.

Maar dat is allemaal mis. Want sinds gisteren weet ik dat carnaval vooral draait om roken.

Uit het bericht in het Limburgs Dagblad van die strekking maak ik ook op dat een zeer onrepresentatief deel van de bevolking carnaval roo, eh viert. Want Jo Hundscheidt, voorzitter van de Bond van Carnavalsverenigingen in Limburg BCL, beweert dat er ‘plekken zijn waar tachtig procent van de mensen rookt.’ Ten eerste wil ik een lijst van die plekken, want daar hoef ik dan niet heen; en verder wijs ik er op dat dertig procent van de bevolking als geheel nog rookt en dat de tachtigprocentscarnavalsvierder dus een zeer uitzonderlijk verschijnsel is.

De heer Hundscheidt heeft volgens mij erg weinig vertrouwen in de echte carnavalist. ‘Als mensen niet mogen roken, blijven ze misschien weg,’ is zijn mistroostige toekomstvisie. En een leeg café tijdens carnaval, daar zit met name de bond van carnavalisten, lees de kasteleins, uiteraard niet op te wachten.

Persoonlijk zou ik het optimistischer willen zien: als je er vanuit gaat dat een dwarsdoorsnee van de bevolking carnaval viert en dat in een kroeg doet, dan zijn daar relatief dus weinig rokers bij. De kastelein ziet bovendien met carnaval liever drinken dan roken. Dus die handhaaft gewoon het rookverbod – als er één periode is waarin de mensen zich toch rechtstreeks aan de bierleiding laten aansluiten (bajonetsluiting), dan is het toch met carnaval. Maar nee: ‘Controles zijn een aanval op het volksfeest,’ vindt Jules Stijnen van Horeca Nederland. Dus hij wil een vrijstelling tijdens culturele evenementen – daar rekent hij carnaval blijkbaar toe.

Stijnen bedenkt, als hij probeert de absurditeit van het rookverbod te benadrukken, ter plaatse een carnavalsgrap om te gillen: om het kwartier de sprinkler in het café aan, om de sigaretten te doven. Dat wordt gegarandeerd een hit! ‘Mien waar is mijn sprinkler gebleven.’ ‘Er staat een sprinkler in de gang’. ‘Ik heb sprinklers op mijn dijtjes…’ En zo voort. Lokale versies worden beloond met een leuke prijs.

Ik denk aan sprinklers waar bier uit komt. Ook leuk: rook, met bierlucht.

maandag 8 december 2008

Rechtse zaterdag in de Volkskrant

Een van de merkwaardigste artikelen over media-economie die ik ooit las stond afgelopen zaterdag in de Volkskrant. ‘Slacht de Ster, red de kranten’ staat er boven en dat is meteen slordig geciteerd uit het artikel, waarin sprake is van ‘sluiting van de Ster en het slachten van Loekie de Leeuw’.

Het behelst een boutade van Geert Wilders en een fractiegenoot die willen dat de dagbladpers in Nederland van de ondergang wordt gered, óók de kranten die de Blonde Held uit Venlo verminderd toerekeningsvatbaar achten, zoals bijvoorbeeld de Volkskrant zelf, door het afschaffen van de Ster-reclame.

Het stuk bewijst dat die Volkskrantkwalificatie van Wilders nog helemaal zo gek niet was. Zijn redenering is als volgt: de ‘staatsomroep’ (bedoeld wordt het conglomeraat van zendgemachtigden) wordt uit belastinggeld bekostigd en krijgt bovendien vele miljoenen binnen via de Ster. Met name dat laatste gaat ten koste van de dagbladpers, die daardoor met ondergang wordt bedreigd.

Hier betrap je meteen de volkstribuun, die het met de feiten niet zo nauw neemt: het is namelijk onwaarschijnlijk dat als de Ster wordt afgeschaft (en, neem ik aan, en passant ook de commerciële omroepen) het aldus vrijkomende geld als het ware langs de weg van de minste weerstand weer naar de kranten zal vloeien. Terwijl het toch al lang geen nieuws meer is dat wat naar de Ster gaat sinds jaar en dag bóvenop het oorspronkelijk voor de dagbladen beschikbare budget komt. De kranten, en dan met name de regionale, hebben vooral last van de reclame die weglekt naar de huis-aan-huisbladen en de pakken reclamedrukwerk die de brievenbus plegen te vullen.

Dezelfde slordigheid begaat Wilders met het slachten van Loekie de Leeuw: dat heeft de Ster zelf al gedaan, vier jaar geleden.

Nog zoiets: Wilders hekelt de ‘staatsomroep’ omdat die ‘zo ongeveer de hele omroep’ naar de VS overplantte ‘ten einde de messias van links, Obama, te bejubelen’. Iedereen die een beetje van wanten weet, heeft al lang vastgesteld dat Obama een nuttig lid van de fractie van Wilders’ eigen partij zou zijn, gezien zijn opvattingen over een groot aantal kwesties. Op sommige punten maakt hij het wellicht zelfs Geertje al te bar, zoals op het gebied van euthanasie en abortus.
Intussen mag de Volkskrant blijven, van Geert, en zelfs het ‘benoem-en-bouwkrantje’ Trouw. Zou ik natuurlijk ook zeggen, als ik zo gemakkelijk toegang kreeg tot de opiniepagina’s van de krant.

Bekijk die pagina in de Volkskrant van zaterdag maar eens: behalve het stuk van de PVV – waarvan dus bedoeling en betekenis duister blijven – gaat het stuk van twee gastcolumnisten over Kay van der Linde en Verdonk, schrijft Hans Wansink ook al over Verdonk die volgens hem nog lang niet uitgespeeld is en gaat de tekening van Jos Collignon over de pas overleden Fritz Behrendt, cartoonist van De Telegraaf en Elsevier.

O wacht, het redactioneel commentaar gaat over de nieuwe minister van integratie etc, en dat niet eens in negatieve zin.

Met zo’n linkse pers heb je geen rechtse meer nodig, dat bewijst Wilders in ieder geval wel.

______________

hhBest